EEP
Vroeger (heel veel jaren terug) werden dieren uit het wild gehaald om in dierenparken tentoon te stellen of te verhandelen. In EAZA- dierenparken is dit allang niet meer zo. Tegenwoordig zijn EAZA-dierenparken belangrijk voor natuur en soortenbehoud. En spelen dieren een rol als ambassadeur voor de soort. Samen met meer dan 300 andere Europese dierenparken zorgt WILDLANDS voor gezonde dierpopulaties in dierentuinen. Dit wordt gedaan aan de hand van speciaal opgezette EEPs (ook wel een fokprogramma genoemd). Sommige soorten worden ook weer uitgezet in het wild.
Wat is een EEP
Door toedoen van de mens en klimaatverandering gaan diersoorten en -populaties wereldwijd achteruit. Om zoveel mogelijk diersoorten te behouden zijn er EEP’s opgezet. EEP is een afkorting voor European Ex situ Programmes. In de volksmond noemen we dit ook wel een soortbehoudprogramma. Elk programma heeft een eigen coördinator. Deze coördinatoren werken in verschillende dierenparken of instanties. Zo beheert WILDLANDS het EEP van de withandgibbon en de bruine landschildpad.
Hoe komen we aan onze dieren?
Om het genenpakket van elke diersoort gezond te houden, vinden er regelmatig uitwisselingen plaats. Wanneer een aanvraag wordt gedaan bij een EEP om een bepaalde diersoort te houden, kan het voorkomen dat een park eerst door een strenge keuring moet. Dieren krijg je namelijk niet zomaar… EEP-soorten zijn erg bijzonder en kwetsbaar en hier moet voorzichtig mee worden omgegaan. Wanneer er dieren worden toegewezen moeten ze nog worden getransporteerd. Wanneer dieren zich succesvol voortplanten en voor nageslacht hebben gezorgd, komt het voor dat deze weer worden uitgeplaatst.
Niet fokken?
Soms kan het voorkomen dat een EEP van een bepaalde diersoort te veel dieren heeft of dat er onvoldoende plek binnen dierenparken is. Dan kan het voorkomen dat de fok van sommige dieren tijdelijk wordt stilgelegd door anticonceptie of dat er dieren in groepen van hetzelfde geslacht worden gehouden (dit noemen we een singlesexgroep). Zo wordt inteelt voorkomen en blijft de populatie gezond. Er wordt DNA-onderzoek gedaan (door bijvoorbeeld het afnemen van bloed), hierdoor komen we meer te weten over de genenpoel van de populatie. Zo kan een EEP-coördinator verder puzzelen om een goede match te maken met de dieren binnen het programma.